De waarde van gedragsexpertise: lessen uit tien jaar WRR en onze praktijk

De waarde van gedragsexpertise: lessen uit tien jaar WRR en onze praktijk

Enige tijd geleden publiceerde de Wetenschappelijke Raadvoor het Regeringsbeleid (WRR) de verkenning Tien jaar na ‘Met kennis van gedrag beleid maken’: Hoe nu verder?. De verkenning bevat een rijkdom aan inzichten en hoewel het onmogelijk is die volledig in één alinea te vangen, willen we graag kort de kern delen. Deze kernpunten vormen het vertrekpunt voor onze reflectie vanuit de praktijk, die laat zien waarom ons vak zo interessant is én soms behoorlijk complex. Hieronder volgt eerst een beknopte samenvatting van de verkenning.

 

Samenvatting van de WRR-verkenning

Tien jaar geleden adviseerde de WRR om gedragswetenschappen een belangrijke en vaste rol te geven in beleidsvorming. Nu concludeert de WRR dat dit nog onvoldoende is gelukt: gedragsinzichten worden te vrijblijvend toegepast, er is te weinig capaciteit, en gedragsexpertise is zwak gepositioneerd binnen de overheid en het beleidsproces. Ook zouden de gedragsexperts effectiever gebruik kunnen maken van hun expertise. De WRR licht daarnaast een aantal belangrijke gedragsinzichten toe die relevant zijn voor het ontwikkelen van beleid én belangrijk zijn voor allerlei gedragsvraagstukken: mentale basisbehoeften, beperkte capaciteit voor informatieverwerking, beperkte wilskracht, verschillen in mentale capaciteiten en de behoefte aan mentale balans. Bovendien beschrijft de WRR een aantal structurele en praktische oplossingen, waarvan we er twee willen benoemen. Ten eerste, het bewerkstelligen van een brede basis van gedragskennis bij alle medewerkers die betrokken zijn bij het oplossen van gedragsvraagstukken, zodat gedragsinzichten breed en op elk gewenst moment ingezet kunnen worden, en er minder afhankelijkheid van gedragsexperts is. Ten tweede, het versterken van de effectieve inzetbaarheid van gedragsexperts, waarbij ze inhoudelijk breed inzetbaar zijn op basis van hun wetenschappelijke achtergrond, ervaring en professionele intuïtie.

 

Ons perspectief op de verkenning

In de WRR-verkenning wordt gepleit voor een vaste plek aan tafel voor gedragswetenschappelijke deskundigheid bij de belangrijkste beleidsprocessen en wij als gedragsprofessionals kunnen ons hier goed in vinden. Daarnaast heeft het ons aan het denken gezet over hoe de bevindingen beschreven in de verkenning relevant zijn voor ons werk. Daarom delen wij ons perspectief op een aantal van de standpunten die in de verkenning beschreven worden.

 

Drijfveren

Als gedragswetenschappers willen we begrijpen waarom mensen dingen wel of niet doen. Zo beschrijft de WRR dat, om achter drijfveren van mensen te komen, je ze het beste kan vragen wat ze willen in hun leven. Met deze stelling wordt aangenomen dat mensen altijd rationeel handelen en in staat zijn om hierover te rapporteren. Dit wordt niet onderbouwd door wetenschappelijk onderzoek, en in de verkenning zelf worden ook een aantal gedragsinzichten beschreven die dit feit tegenspreken. Dit is dan ook één van de kernpunten die bijdraagt aan de complexiteit van ons vak: weten mensen wel wat ze willen? En als dat al het geval is, weten ze dat dan onder woorden te brengen, te uiten en naar te leven? Gelukkig is hier in de gedragswetenschappen al veel onderzoek naar gedaan, en zijn er een aantal gedragsinzichten vastgesteld die over het algemeen gelden voor iedereen.

 

Wat gedragswetenschap ons leert over menselijk gedrag

In de verkenning worden een aantal van de belangrijkste gedragsinzichten uitgelicht, die wijzen op wat essentieel is voor het begrijpen en ook voor het veranderen van gedrag. Hier komen veel verschillende factoren bij kijken. Ten eerste, mensen hebben drie mentale basisbehoeften: autonomie, verbondenheid en competentie. Deze basisbehoeften bepalen hoe intrinsiek gemotiveerd iemand is, of in andere woorden hoe graag iemand iets wil. Wanneer mensen niet in deze behoeften zijn voorzien, dan is hun intrinsieke motivatie laag en dan is gedragsverandering moeilijk te bewerkstelligen. Autonomie verwijst naar het gevoel dat mensen zelf keuzes kunnen maken, ook al is de keuzevrijheid soms niet heel groot. Verbondenheid verwijst naar het gevoel om ergens bij te horen en het ervaren van positieve sociale relaties. Competentie verwijst naar het gevoel dat mensen ergens goed in zijn, invloed hebben op wat ze doen en daarmee voortuitgang kunnen boeken. Bijvoorbeeld, een medewerker kiest ervoor om te leren hoe ze zelf gebruik kan maken van AI (autonomie), waarbij ze af en toe om hulp vraagt bij haar collega’s die hier al ervaring mee hebben (verbondenheid), en al snel merkt dat ze er beter in wordt (competentie).

 

Naast de mentale basisbehoeften die belangrijk zijn, kunnen mensen een beperkte hoeveelheid informatie verwerken. Dit leidt tot keuzes en inschattingen die niet altijd resulteren in optimale uitkomsten. De beperkte mentale capaciteit wordt uit de weg gegaan door het gebruik van heuristieken, wat een soort mentale vuistregels of shortcuts zijn die het mogelijk maken om snel beslissingen te kunnen nemen. Deze heuristieken kunnen leiden tot systematische denkfouten, die biases genoemd worden. Een voorbeeld van dit soort heuristieken en daaropvolgende biases is het inschatten van risico’s op basis van de informatie die het snelst in je opkomt. Zo denken veel mensen dat het gevaarlijker is om met het vliegtuig te reizen in vergelijking met de auto, maar deze inschatting is niet op statistieken gebaseerd. Informatie over een vliegtuigongeluk is vaak zo emotioneel en ingrijpend dat mensen dit soort nieuws zich goed kunnen herinneren en daarom is dat vaak het eerste wat in mensen op komt. Een ander voorbeeld is dat wanneer er onzekerheid is over de waarde van iets, dan zoek je onbewust naar iets wat deze onzekerheid kan wegnemen. Als het gaat om producten, dan kan elke prijs die enigszins relevant is voor het product als vergelijkingsmateriaal gebruikt worden. Zo wordt er vaak gebruik van gemaakt van de ‘oude prijs’ van een product en wordt deze bij een aanbieding vermeld, zodat mensen een vergelijking maken met hoe duur het product normaal gesproken is.

 

Een ander aspect om rekening mee te houden is dat er een kloof is vastgesteld tussen het vormen van intenties en het daadwerkelijk uitvoeren van gedrag. Mensen beschikken over beperkte wilskracht, waardoor goede intenties niet altijd in praktijk gebracht of volgehouden kunnen worden. Zo zijn er heel veel mensen die op oudejaarsdag goede voornemens bedenken voor het komende jaar, maar het aantal mensen dat zich daadwerkelijk voor langere tijd aan deze voornemens houden is veel lager. Het is ontzettend lastig voor mensen om intenties om te zetten in gedrag, omdat er heel veel factoren meespelen in hoe gedrag tot stand komt. Er zijn gelukkig wel steeds meer manieren bedacht om de stap van een intentie naar gedrag makkelijker te maken. Dit is één van de dingen waar wij als gedragsprofessionals dagelijks mee bezig zijn, namelijk om ervoor te zorgen dat mensen in staat zijn om hun gewenste gedrag uit te voeren.

 

Bovendien bestaan er verschillen in de mentale capaciteiten waar mensen over beschikken, zoals verschillen in aandacht, impulscontrole of werkgeheugen. Zo kan de ene persoon makkelijk meerdere taken tegelijk afhandelen zonder fouten te maken, terwijl een ander snel afgeleid raakt of dingen vergeet als er te veel informatie tegelijk op hem/haar afkomt. Dit vraagt van ons gedragsprofessionals dat we interventies ontwikkelen die laagdrempelig zijn en rekening houden met verschillen in mentale capaciteiten, zodat de interventies voor een zo breed mogelijke groep mensen toegankelijk en toepasbaar zijn.

 

Tot slot hebben mensen behoefte aan een zekere mate van mentale balans, waarbij gebrek hieraan kan leiden tot een ongemakkelijk gevoel. Mentale balans ontstaat wanneer kennis en gedrag van een individu overeenstemmen met hun drijfveren en motivatie, en onbalans hierin kan resulteren in motivatie om de balans terug te brengen. Een voorbeeld van hoe mentale onbalans ontstaat is als iemand duurzaamheid belangrijk vindt en ondertussen wel elke dag met de auto naar het werk gaat. Deze onbalans kan de persoon vervolgens motiveren om op zoek te gaan naar een alternatief, duurzamer transportmiddel, zoals de fiets of het openbaar vervoer.

 

Minimaal gebruik van gedragsinzichten

De verkenning beschrijft dat er tot nu toe meer aandacht is voor gedrag in beleidsontwikkeling, maar dat er helaas tot nu toe nog weinig daadwerkelijk ondernomen is. Wij denken dat dit in de praktijk ook zeker een verbeterpunt is. Vanuit onze expertise zien wij veel mogelijkheden om organisaties te helpen met veranderingen, omdat gedrag bij veel veranderprocessen een grote rol speelt. Helaas wordt de rol van gedrag nog vaak over het hoofd gezien, terwijl dit een groot verschil kan maken in de effectiviteit van veranderingen.

 

Doenvermogen: van weten en willen naar doen

Eén van de gedragsinzichten waar in de verkenning extra aandacht aan wordt gegeven, gaat over de stap van iets weten en willen naar het daadwerkelijk (kunnen) doen. Dit wordt het doenvermogen genoemd en verwijst naar de mogelijkheden die mensen hebben om het gewenste gedrag uit te voeren. Mensen moeten eerst relevante regels kennen en begrijpen, voordat ze in staat zijn om ernaar te handelen. Dit herkennen wij vanuit de literatuur en vanuit onze ervaring. Er zijn zelfs nog veel meer factoren die bepalen of gedrag vertoond wordt of niet. Binnen de overheid is voor het onderzoeken hiervan de doenvermogentoets ontwikkeld, die inmiddels ook verplicht is om uit te voeren voorafgaand aan het invoeren van nieuw beleid. Opmerkelijk is dat in de verkenning verplichten vaker voorbijkomt, terwijl vanuit de gedragswetenschappen bekend is dat het verplichten van iets er niet per definitie voor zorgt dat het dan gedaan wordt. Het is dan ook de ervaring met de doenvermogentoets dat de formele verplichting er niet voor zorgt dat er effectief gebruik gemaakt wordt van de toets.

 

Beperkingen van verplichtingen en financiële maatregelen

Zoals hierboven benoemd heeft gedragswetenschappelijk onderzoek uitgewezen dat verplichtingen niet de beste manier zijn om gedrag te stimuleren. Naast verplichtingen wordt in de verkenning verklaard dat de beste manier om gedrag te beïnvloeden bestaat uit het gebruik van harde wettelijke voorschriften en verplichtingen of van financiële prikkels. Hier stemmen wij vanuit onze expertise niet mee in. Verplichtingen en financiële maatregelen hebben alleen effect zolang de verplichting en beloning geldt. Mochten deze weggenomen worden, verdwijnt het gewenste effect vaak ook snel of zelfs direct. Deze twee strategieën zijn niet duurzaam en zetten alleen in op extrinsieke motivatie, terwijl het onze overtuiging is dat het wenselijker is om intrinsieke motivatie te stimuleren zodat mensen zelf in staat zijn om gedrag te blijven vertonen. Daarnaast kunnen verplichtingen leiden tot weerstand, omdat het de behoefte aan autonomie aantast, die zoals eerder genoemd erg belangrijk is voor mensen. Bovendien moeten verplichtingen ook gehandhaafd worden en dit zorgt ook vaak voor problemen, omdat hier niet altijd mogelijkheid, tijd of geld voor is. Een voorbeeld van negatieve consequenties bij financiële maatregelen komt uit een onderzoek naar een kinderopvang die boetes invoerde voor ouders die hun kinderen te laat ophaalden. De maatregel werkte averechts: ouders gingen de boete zien als een prijs voor extra flexibiliteit in plaats van een straf, waardoor ze juist vaker later kwamen. Dit laat zien hoe lastig het is om financiële prikkels zo vorm te geven dat ze daadwerkelijk het gewenste gedrag stimuleren.

 

Gedragsexpertise eerder en breder inzetten

In de verkenning wordt benadrukt dat gedragsexperts inhoudelijk breed inzetbaar moeten zijn, en daarmee effectief gebruik maken van hun wetenschappelijke achtergrond, ervaring en professionele intuïtie. Wij sluiten ons hier graag bij aan en proberen ons ook zo te ontwikkelen om dit zo goed mogelijk te kunnen bewerkstelligen. Zo zijn er een aantal onderwerpen waar wij ons in specialiseren, maar daarnaast proberen wij ook op de hoogte te blijven van allerlei zaken die in ons vak spelen. Ook vinden wij het heel belangrijk om niet voor een standaardoplossing te gaan en altijd onderzoek te doen en verder te kijken naar wat er allemaal speelt om zo tot een zo goed mogelijke oplossing of advies te komen. In de verkenning wordt genoemd dat het wenselijk is om gedragsdeskundigheid vroeg in het proces te betrekken, omdat gedrag eenmaal een grote rol speelt in veel veranderprocessen en daarnaast is het veel lastiger om met terugwerkende kracht gedragsinzichten te effectief in te zetten. Dit herkennen wij in verschillende projecten waarbij wij al vroegtijdig betrokken zijn en zo een effectieve bijdrage hebben kunnen leveren vanuit ons gedragswetenschappelijk perspectief.

 

Basiskennis gedrag voor iedereen

In de verkenning wordt ook erkend dat het praktisch gezien niet altijd mogelijk is om gedragsexperts vroegtijdig te betrekken, omdat er vaak heel veel verschillende factoren en expertises zijn, die van belang zijn. Het advies is daarom om iedereen een basis van gedragskennis te geven, zodat er niet altijd een expert ingeschakeld hoeft te worden, terwijl er wel gebruik gemaakt kan worden van gedragsinzichten. Wij denken dat dit een erg goede en praktische oplossing is, die een goede eerste stap vormt naar de bredere inzetbaarheid van gedragsinzichten. Zo verzorgen wij zelf ook trainingen bij grote organisaties, waarin we medewerkers leren over hoe gedrag tot stand komt en hoe ze zelf met gedragsinterventies aan de slag kunnen. Op die manier kunnen mensen altijd zelf aan de slag, ook na de training, om gedragsinzichten volgens een vaste methodiek toe te passen.

 

Cognitieve capaciteiten staan vast?

In de verkenning wordt beweerd dat mensen verschillen in dem cognitieve capaciteiten waarover ze beschikken, zoals eerder besproken, en dat zij weinig kunnen veranderen aan die capaciteiten. Daarentegen zijn er veel methoden onderzocht die cognitieve capaciteiten kunnen verhogen en de schrijver van de verkenning zelf adviseert in zijn boek hierover. Cognitieve capaciteiten worden door zowel genetische factoren als omgevingsfactoren bepaald, waarbij capaciteiten gemiddeld genomen voor 60% erfelijk bepaald zijn, en er dus nog een groot deel overblijft wat door andere factoren, zoals je opvoeding of omgeving beïnvloed kan worden. Het lijkt ons daarom nogal stellig om te beweren dat er niet veel valt te veranderen aan cognitieve capaciteiten. Niet voor niks wordt ‘een leven lang leren’ steeds meer de norm, maar er kunnen wel factoren zijn die invloed hebben op de mate waarin dit lukt.

 

Bewijslast omdraaien?

Als laatste willen wij ons perspectief delen op de aanbeveling in de verkenning om de bewijslast in de gedragswetenschappen om te draaien, zodat interventies mogen worden ingevoerd tenzij met 95% zekerheid bewezen kan worden dat ze niet werken. Gedragsinterventies moeten gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis en zorgvuldig worden ontworpen, waarbij gekeken wordt welke technieken passen bij het gewenste gedrag. Gedragsinterventies kunnen het gewenste effect hebben, maar ze kunnen ook onverwachts geen effect hebben of zelfs negatieve consequenties. Wij vinden dat het advies om de bewijslast om te draaien onvoldoende rekening houdt met mogelijke negatieve of onverwachte effecten van een interventie. Het lijkt ons verstandiger om een voorstel te doen om de bewijslast aan te passen en nog steeds zorgvuldig bewijs te verzamelen, in plaats van deze volledig om te draaien. Het voorbeeld over de boetes bij de kinderopvang voor het te laat ophalen van kinderen is een voorbeeld van een interventie die averechts werkte. Een ander voorbeeld is het aanvraagformulier voor studieleningen, waarbij DUO het invullen van het formulier makkelijker voor studenten wilde maken door een vinkje toe te voegen met ‘maximaal lenen’. Dit leidde ertoe dat veel meer studenten veel vaker het volledige bedrag gingen lenen, terwijl dit natuurlijk niet de bedoeling was. Deze voorbeelden illustreren het belang van zorgvuldig onderzoek en het weloverwogen vormgeven van interventies.

 

Conclusie

Gedrag speelt een grote rol bij bijna elke uitdaging binnen organisaties, maar de inzichten die we nodig hebben om gedrag echt te begrijpenen te veranderen worden nog lang niet overal volledig en efficiënt benut. De voorbeelden uit het WRR-rapport laten zien hoe complex menselijk gedrag is en hoe essentieel het is om gedragskennis vanaf het begin mee te nemen in elke verandering of interventie.

 

Bij de Behavioral Insights Company ondersteunen we organisaties bij het ontrafelen van gedragsvraagstukken, het ontwerpen van effectieve gedragsinterventies en het versterken van gedragskennis binnen teams. Heeft u een vraagstuk waarbij gedrag een rol speelt, of wilt u eens vrijblijvend sparren? Dan denken we graag met u mee.